Er zijn tuinen die je pas ziet als je er middenin staat. Ingesloten door bakstenen muren, overschaduwd door de verdiepingen eromheen, bereikt het zonlicht er misschien twee uur per dag de grond — als het al zover komt. Dat klinkt als een probleem, maar het is in feite een uitnodiging. In dit stuk volg ik één concrete tuin: een binnenplaats van vier bij zes meter in een rijtjeshuis uit de jaren dertig, omgeven door drie muren van twee meter hoog en een schuiting aan de vierde zijde. De eigenaar wilde groen, structuur en het gevoel dat de ruimte groter is dan ze is. We beginnen bij de bodem en eindigen bij de manier waarop varenblad in november nog steeds iets te zeggen heeft.
De bodem en het water: wat niemand ziet maar alles bepaalt
Voordat er ook maar één plant de grond in gaat, moet je weten wat er met het regenwater gebeurt. In een ingesloten binnenplaats als deze — omringd door muren die warmte vasthouden en vocht tegenhouden — is de afwatering zelden vanzelfsprekend. Het oorspronkelijke oppervlak bestond hier uit tegels op een zandbed, met een enkel putje in de hoek dat al jaren half verstopt was. Na een stevige regenbui stond er een centimeter water op de vloer.
De eerste ingreep was dan ook geen plant maar een helling. De verharding werd opnieuw gelegd met een verval van één centimeter per meter richting het putje, dat grondig werd gereinigd en voorzien van een rooster met grotere opening. Daarna kozen we voor gebakken klinkers in een visgraatpatroon — niet vanwege esthetiek alleen, maar omdat de voegen iets meer water doorlaten dan een gesloten betontegel en de warmteopname iets milder is. In een ruimte die al snel oploopt in temperatuur door de weerkaatsing van de muren, telt elke graad.
De plantenbakken langs de muren kregen een dubbele bodem met een drainagelaag van lava-granulaat (Lava lapilli, zoals het in de vakhandel heet), afgedekt met een vlieslaag voordat de aarde erin ging. Dat klinkt misschien overdreven voor een gewone stadstuin, maar in een ruimte zonder neerslag van boven — de dakgoot van de buurman vangt het meeste water al op — droogt een bak met alleen potgrond in de zomer snel uit, terwijl hij in de herfst juist te lang nat blijft. Die wisseling is voor veel planten dodelijker dan constante droogte of constante vochtigheid.
Schaduwvaren als ruggengraat: keuze en plaatsing
Varensoorten zijn de meest onderschatte groep voor de ingesloten stadstuin, en in deze binnenplaats werden ze de dragers van de hele beplanting. Dat is geen toeval. Varens vragen weinig licht, verdragen de koele, vochtige luchtlaag die zich langs een bakstenen muur opbouwt, en ze geven een ruimte een verticale rijkdom die je met bloeiende planten moeilijk bereikt.
De keuze viel op drie soorten, elk met een andere functie. Langs de noordmuur — de koudste en minst verlichte plek — werd de sterk wintergroene Polystichum aculeatum, de stijve naaldvaren, geplant in een rij van vijf exemplaren op veertig centimeter uit de muur. Deze varen houdt zijn blad het hele jaar door, wat in een besloten tuin cruciaal is: je kijkt er ook in januari op uit. Zijn donkergroene, glanzende fronden reflecteren het weinige licht dat er is en maken de hoek levendiger dan ze feitelijk is.
Aan de oost-gerichte zijde, waar in de vroege ochtend een uur of anderhalf indirect licht valt, kozen we voor Dryopteris erythrosora, de herfstschubvaren. Dit is een plant die zijn naam eer aandoet: de jonge fronden komen in het voorjaar uit als koperrood, verdiepen zich naar groen in de zomer en kleuren in de herfst opnieuw warm. In een tuin zonder veel bloeiende kleur is dit de manier om toch seizoenswisseling te voelen. De derde soort, Athyrium filix-femina — de wijfjesvaren — werd in de bakken geplaatst die iets meer ruimte hadden, omdat deze varen uitwaaierende fronden van soms zeventig centimeter maakt. Hij is niet wintergroen, maar zijn afstervende blad in november heeft een eigen schoonheid die je niet te snel moet wegsnijden.
Tussen de varens werden lage bodembedekkers ingeplant: Pachysandra terminalis langs de randen van de bakken en Asarum europaeum, de Europese hazelwortel, als donkerglanzend tapijt op de plekken waar zelfs de varens het moeilijk hebben. Beide planten zijn robuust, vragen weinig en vullen de ruimte op een manier die de grotere planten versterkt in plaats van te beconcurreren.
Muren benutten: klimplanten die schaduw verdragen
Een muur van twee meter hoog is in een kleine tuin geen beperking maar een kans: het is verticaal groen dat geen vloeroppervlak kost. De vraag is alleen welke klimplant het redt op een plek die weinig zon krijgt en waar de wortelruimte smal is — in dit geval een strook van dertig centimeter tussen de klinkers en de muurbasis.
De meest betrouwbare keuze voor de beschaduwde muur is Hedera helix, klimop, maar dan in de minder gebruikte vormen. We kozen hier voor Hedera helix ‘Glacier’, een cultivar met zilvergrijs gemarmerd blad die in de schaduw zijn tekening behoudt — iets wat veel bontbladige heesters in weinig licht niet doen. Klimop hecht zichzelf aan de muur via luchtwortelties en heeft geen draadsysteem nodig, wat in een smalle strook een groot praktisch voordeel is. Wel moet je hem de eerste twee jaar sturen: de jonge scheuten vastmaken tot ze de richting gevonden hebben die je wilt.
Op de schuiting aan de zuidkant, die iets meer licht ontvangt, kozen we voor Hydrangea anomala subsp. petiolaris, de klimmende hortensia. Dit is een langzame starter — verwacht de eerste twee jaar weinig — maar eenmaal gevestigd groeit hij betrouwbaar en bloeit hij in de zomer met witte schermbloemige plukken die ook in gefilter licht goed zichtbaar zijn. Zijn wintersilhouet, met de droge bloeischermen en de schilferende bast, is op zichzelf al de moeite waard.
Langs de derde muur, de meest besloten, werd geen klimplant geplant maar een Sarcococca hookeriana var. humilis, de lage zoethout. Geen klimmer, maar een lage heester die zijn plek vult met donkere, glanzende bladeren en in de late winter bloeit met kleine, witte bloempjes die een opvallend sterke geur hebben — zoet en scherp tegelijk. In een besloten ruimte, waar geuren zich ophopen, is dit een plant die je verrast op een koude februaridag als je de deur opendoet.
Onderhoud door de seizoenen: wat je doet en wat je laat
Een schaduwbeplanting met varens en bodembedekkers is niet onderhoudsvrij, maar het onderhoud is anders dan in een zonnige tuin. Er is geen onkruiddruk van betekenis — de dichte bodembedekking sluit licht uit en houdt zaailingen van buitenaf buiten. Er zijn geen bloemen die uitgeknip moeten worden, geen rozen die gesnoeid willen worden in februari. Maar er is wel een ritme dat je moet leren kennen.
In het voorjaar, als de nieuwe fronden van de Dryopteris en de Athyrium uitrollen, is het moment om het oude blad te verwijderen. Niet eerder: de afgestorven fronden beschermen de wortelkroon in de winter en geven de tuin in januari en februari nog textuur. Snij ze af op vijf centimeter boven de grond en laat de stronken staan als bescherming voor de nieuwe scheuten.
In de zomer is het belangrijkste werk water geven. Bakken in een ingesloten tuin drogen sneller uit dan je denkt, ook zonder directe zon, omdat de warmte van de muren de lucht uitdroogt. Een vinger in de grond is de beste maatstaf: voelt de bovenste drie centimeter droog aan, dan is het tijd. Geef ruim en langzaam, zodat het water ook de diepere lagen bereikt.
In de herfst laat je de tuin grotendeels met rust. De Polystichum blijft groen, de Pachysandra kleurt iets donkerder, de Sarcococca zet zijn knoppen. Gevallen blad van de buurman dat over de muur waait, kun je laten liggen als mulchlaag — het verteert snel in een vochtige, beschaduwde omgeving en voegt organische stof toe aan de bodem. Alleen op de klinkers veeg je het weg, omdat natte bladeren glad worden.
In de winter is de tuin van vier bij zes meter op zijn smalst en tegelijk op zijn eerlijkst. Wat er staat, staat er echt. De glanzende fronden van de naaldvaren, de donkere rozetten van de hazelwortel, de schilferende bast van de klimmende hortensia — dat is wat er overblijft als alles wat tijdelijk was verdwenen is. En dat, precies dat, is wat een ingesloten stadstuin zijn karakter geeft.