Er zijn tuinen die de zon tegemoet lopen, en er zijn tuinen die hem nooit echt te zien krijgen. De noordtuin behoort tot de tweede categorie, en toch is het juist die tuin die mij als ontwerper het meest fascineert. Niet ondanks de schaduw, maar door de schaduw. In dit stuk neem ik je mee langs één concrete tuin — een achtererf in een rijtjeshuis, vier meter breed en zes meter diep, omsloten door muren van drie verdiepingen hoog — en laat ik je zien hoe je met de juiste keuzes een ruimte maakt die het hele jaar door iets te zeggen heeft.
De tuin als uitgangspunt: wat je aantreft en wat dat betekent
De tuin waar ik het over heb, ligt op het noorden. De achtergevel vangt geen directe zon, de zijmuren doen dat alleen in de vroege ochtend en late avond in de zomer, en de muur van de buren aan het einde van de tuin staat er als een blinde wand van donkere baksteen. Het is het soort ruimte dat mensen omschrijven als ‘hopeloos’, maar dat woord past er niet bij. Wat je aantreft is een uitgangspunt, geen vonnis.
Wat je als eerste doet, is meten — niet alleen de lengte en breedte, maar ook de hoogte van de omsluitende muren en de hoek waaronder eventueel licht binnenkomt. In deze tuin betekende dat: in de zomer een smalle lichtbaan van ongeveer een meter breed die in de loop van de ochtend langzaam over de tegels schuift en rond het middaguur verdwijnt. In de winter is er nauwelijks directe zon. Die wetenschap stuurt alles: de keuze voor verharding, voor beplanting, voor de manier waarop je de ruimte indeelt.
Een tweede ding dat je aantreft in ingesloten stadstuinen is vocht. Niet de gezonde vochtigheid van een bosbodem, maar de stagnerende nattigheid van een ruimte zonder wind en met een bodem die door decennia van bebouwing rondom verdicht en slecht doorlatend is geworden. Dat is het eerste technische probleem dat je moet oplossen, en het is verstandig om dat te doen vóór je ook maar één plant in de grond zet.
Verharding en waterafvoer: de basis die je niet ziet maar altijd voelt
In een tuin van vier bij zes meter is verharding geen luxe, het is structuur. Het bepaalt hoe de ruimte aanvoelt, hoe je er doorheen beweegt en — misschien wel het allerbelangrijkste in een noordtuin — hoe water zich gedraagt. In de tuin die ik hier beschrijf, lagen er oude betontegels op een zandbed dat over de jaren was ingespoeld en samengekoekt. Na regen stond er water, na droogte kraakte het zand. Dat moest anders.
Wat ik hier heb gedaan, is de tegels opbreken en de bodem over de volle breedte en lengte zo’n dertig centimeter uitgraven. Daarna is er een laag puingranulaat aangebracht, gevolgd door een laag gewassen grind van twintig millimeter, en pas daarna de verharding zelf. Voor de verharding is gekozen voor gebakken klinkers in een halfsteensverband, lichtgrijs van toon, omdat een lichte kleur in een donkere tuin meer doet dan je zou verwachten: het weerkaatst het beschikbare licht en maakt de ruimte optisch groter.
Langs de muren is een smalle strook van twintig centimeter vrijgehouden als plantvak, en het verharde oppervlak helt twee procent af richting een centrale lijnafvoer die uitkomt op het riool. Dat klinkt technisch, en dat is het ook, maar het is het verschil tussen een tuin die na elke bui een plas heeft en een tuin die een kwartier na de regen al droog aanvoelt. Die droogheid is ook voor de planten beter: staand water in een schaduwrijke omgeving is een directe uitnodiging voor schimmel en wortelrot.
Muren als drager: hoe je ze bekleedt zonder ze te verzwakken
De muren in deze tuin zijn van baksteen, oud en poreus. Ze zijn tegelijk het grootste probleem en de grootste kans. Het probleem: vocht trekt erin, voegen brokkelen af, en in de winter kan vorst schade aanrichten als de stenen te nat zijn. De kans: drie muren van drie verdiepingen hoog geven je een verticaal plantoppervlak dat het horizontale oppervlak van de tuin meerdere keren overtreft.
Voordat er ook maar een klimplant aan de muur komt, is het verstandig de voegen te inspecteren en waar nodig opnieuw te voegen. Niet met cementmortel — dat is te hard en scheurt bij beweging — maar met een kalkmortel die meegaat. Daarna kun je nadenken over bevestiging. Ik werk graag met gespannen roestvrijstalen draden op een onderlinge afstand van dertig centimeter, bevestigd aan inox-oogbouten die diep genoeg in de muur gaan om houvast te bieden. Die draden zijn nauwelijks zichtbaar, maar ze geven klimplanten een stabiele geleiding zonder dat je de muur doorboort met zware constructies.
Voor de noord- en oost-georiënteerde muren in deze tuin is gekozen voor Hydrangea anomala subsp. petiolaris, de klimhortensia. Het is een plant die mensen onderschatten omdat hij in de eerste twee jaar nauwelijks iets doet, maar die daarna met een vasthoudendheid groeit die je bijna kunt horen. Hij hecht zichzelf aan de muur via luchtwortels, bloeit in de zomer met grote witte schermen en houdt in de winter zijn gedroogde bloeiwijzen vast als kleine bruine lantaarns. Op de langste muur, de blinde achtermuur van de buren, is hij inmiddels drie meter hoog en bijna even breed.
Schaduwbeplanting die het volhoudt: selectie met een reden
Een noordtuin vraagt om planten die niet alleen schaduw verdragen maar er ook echt van houden — planten die in de zon juist verschieten, verbranden of wegkwijnen. De selectie voor deze tuin is opgebouwd in lagen: een lage bodembedekker, een middelhoge laag van vaste planten, en een hogere laag van kleine struiken die de overgang naar de muren maken.
Op de bodem is gekozen voor Pachysandra terminalis, een immergroene bodembedekker die in dichte, donkere hoeken zijn beste werk doet. Hij vraagt weinig, klaagt niet en houdt onkruid buiten. Daartussen staan plukjes Luzula sylvatica, de grote veldbies, die met zijn brede, glanzende bladeren licht vangt en teruggeeft op een manier die bijna zilverachtig aandoet in de schemering.
In de middelhoge laag staan Hosta ‘Halcyon’ — een cultivar met blauwgrijs blad die bestand is tegen slakken en schaduw — en Dryopteris erythrosora, de herfstvaren, die in de lente uitloopt in koperkleuren en in de zomer diepgroen wordt. Beide planten zijn robuust, maar ze vragen wel om een goede start: bij het planten is de grond diep omgespit en aangevuld met rijpe compost, want de bodem in een ingesloten stadstuin is vaak uitgeput.
Als hogere laag staat er langs de zijmuur een Aucuba japonica ‘Crotonifolia’, een struik met bont blad die in volledige schaduw zijn gele spikkels behoudt en daarmee de tuin ook in de winter kleur geeft. Naast hem een Sarcococca confusa, de zoete doos, die in februari bloeit met kleine witte bloemetjes die naar vanille ruiken en die je hoort — of liever: ruikt — lang voordat je hem ziet.
Licht sturen in een donkere ruimte: spiegels, kleur en reflectie
Er is een misverstand over noordtuinen dat ik graag wil rechtzetten: ze zijn niet donker. Ze zijn schaduwrijk, wat iets anders is. Op een bewolkte dag is er in een noordtuin net zoveel licht als in een zuidtuin — diffuus, egaal licht dat nergens harde schaduwen gooit en dat voor fotografie eigenlijk ideaal is. Het is de directe zon die ontbreekt, en dat is een verschil dat je kunt compenseren.
Lichte muurkleuren helpen daarbij. In deze tuin zijn de zijmuren gestuukt en geschilderd in een gebroken wit — niet stralend wit, want dat geeft een kille sfeer, maar een tint met iets geel of grijs erin, die het beschikbare licht absorbeert en terugkaatst zonder te schreeuwen. De achtermuur, van de buren en dus niet te schilderen, is bedekt door de klimhortensia, en dat is eigenlijk beter: het levende groen absorbeert licht op zijn eigen manier en geeft de muur een textuur die een geverfd oppervlak nooit kan evenaren.
Wat ook werkt, zijn glanzende materialen laag in de tuin: de lichtgrijze klinkers doen dat, maar ook een kleine waterpartij — geen fontein, geen grote vijver, maar een eenvoudige stenen bak van zestig bij zestig centimeter, gevuld met water en beplant met Nymphaea ‘Pygmaea Helvola’, de dwergwaterlelie — weerkaatst het licht van boven en geeft de tuin een diepte die je niet verwacht.
Onderhoud door de seizoenen: wat de tuin van je vraagt en wanneer
Een ingesloten stadstuin heeft een eigen ritme, en als je dat ritme leert kennen, wordt het onderhoud vanzelf minder. In de lente is er het meeste te doen: de Hosta‘s komen op en de slakken komen mee, dus je loopt de tuin vroeg in het seizoen een paar keer door met een emmer. De varen ontvouwt zijn nieuwe bladeren en de Sarcococca heeft zijn bloei al achter de rug — je kunt nu eventueel snoeien als de struik te breed wordt, maar dat is zelden nodig.
In de zomer bloeit de klimhortensia, en dat is het hoogtepunt van het jaar in deze tuin. De bloeiwijzen zijn groot, crème van kleur, en ze hangen een paar weken aan de muur als stille lampionnen. Je hoeft weinig te doen: water geven als het lang droog is, maar in een ingesloten tuin is de verdamping lager dan in een open tuin, en de planten zijn geselecteerd op droogtetolerantie.
In de herfst laat de klimhortensia zijn blad vallen — en dat is een moment dat mensen soms verrast: ze dachten dat hij groenblijvend was, maar dat is hij niet, en de kale stengels tegen de muur zijn op hun eigen manier mooi, als een tekening in houtskool. De Pachysandra en de Aucuba blijven groen, de Luzula ook, en zo heeft de tuin ook in de koudste maanden een structuur die hem leesbaar houdt. In de winter is er weinig te doen, en dat is precies de bedoeling: een goed ontworpen noordtuin vraagt in het donkere seizoen om rust, en die rust geef je hem door gewoon te kijken en te wachten op het moment dat de Sarcococca weer begint te geuren.