Er zijn tuinen die je pas begrijpt als je er een tijdje in staat. Niet vijf minuten, maar een uur, op een bewolkte dinsdagochtend in april, met een kop koffie die afkoelt terwijl je omhoogkijkt naar de muur die aan drie kanten om je heen staat. Dat is precies wat ik deed toen ik voor het eerst de achtererven van een grachtenpand bezocht: een smalle strook van misschien zestig vierkante meter, ingeklemd tussen twee buren, afgesloten door een hoge bakstenen achtergevel van het pand erachter, en volledig op het noorden gericht. De eigenaar had het simpel geformuleerd: “Er groeit hier niks. Het is altijd nat. En het ziet er kaal uit.” Dat zijn precies de drie klachten die ik het vaakst hoor, en die me ook het meest boeien, want ze zijn geen eindpunt maar een beginpunt.
Wat een muur doet met licht, en hoe je daarmee werkt
De eerste vraag die ik altijd stel in een ingesloten stadstuin is niet wat je wilt, maar wat er al is. In dit geval was er een muur van bijna vier meter hoog aan de noordkant, opgetrokken in een donkerrode Waalformaat steen die door de jaren heen een zachte, bijna paarse gloed had gekregen. Die muur is geen vijand, ook al lijkt hij dat. Hij is een klimaat op zichzelf.
Een hoge muur aan de noordkant van een tuin vangt overdag geen directe zon, maar hij doet iets anders: hij reflecteert het omgevingslicht op een manier die subtiel maar merkbaar is. Als je witte of lichtgekleurde mortel hebt, of als de steen zelf wat vervaagd is, kaatst er meer licht terug de tuin in dan je zou verwachten. In dit geval was de steen donker, wat betekende dat we actief moesten compenseren. Dat deden we door de verharding aan de voet van de muur te kiezen in een licht gebroken wit: een Belgische blauwe hardsteen die gezoet is, dus niet gepolijst maar licht geslepen, zodat hij matte glans heeft en diffuus licht verspreidt zonder te verblinden.
Aan de muur zelf begonnen we met Hydrangea anomala subsp. petiolaris, de klimmende hortensia, die in een noordtuin eigenlijk haar ware aard laat zien. Ze klimt langzaam, dat klopt, maar ze hecht zich met luchtwortels aan de steen zonder die te beschadigen, en na drie à vier jaar begint ze de muur te bedekken op een manier die organisch aanvoelt, nooit geforceerd. Haar witte schermbloemige bloemen in juni geven het donkere vlak een bijna lichtgevend karakter, alsof de muur zelf ademt. Daarnaast plantten we Hedera helix ‘Thorndale’, een winterharde klimop met grote bladeren die ook in diepe schaduw groen blijft en de muur structuur geeft in de maanden dat de hortensia kaal is.
Waterafvoer als fundament, niet als bijzaak
De tweede klacht van de eigenaar — het is altijd nat — is in ingesloten stadstuinen bijna universeel, en hij heeft een eenvoudige oorzaak: de omringende muren belemmeren de luchtcirculatie, de tuin ontvangt geen directe zon die de bodem droog kan blazen, en de verharding van buren en panden rondom leidt regenwater systematisch naar het laagste punt, wat in veel gevallen precies jouw tuin is.
In dit geval lagen er nog oude betontegels op een zandbed, en onder het zandbed zat een compacte kleilaag die water nauwelijks doorliet. De eerste ingreep was dan ook radicaal: alles eruit, tot op vijftig centimeter diep, en een drainagelaag aanleggen van gebroken puin en lavakorrel (Leca, een geëxpandeerde kleikorrel die uitstekend drainerend werkt en tegelijk vocht vasthoudt voor de wortels van planten). Bovenop die laag kwamen drainagebuizen die afvoerden naar een straatkolkje dat we in de hoek aanlegden. Pas daarna kwamen de nieuwe tegels.
De keuze voor de verharding was hier ook functioneel. We werkten met een patroon van grote tegels — zestig bij zestig centimeter, dezelfde blauwe hardsteen als eerder beschreven — afgewisseld met voegen van twee centimeter breed die we vulden met een mengsel van zand en grind. Die voegen laten water door, maar ze zijn smal genoeg om te lopen zonder te struikelen. Langs de muren lieten we een strook van twintig centimeter onverhard, gevuld met een mengsel van compost en perliet, voor de plantenborders. Dat is smal, maar in een tuin van zestig vierkante meter is elke centimeter grond die je aan planten geeft er een.
Voor de beplanting in de borders kozen we voor soorten die vochtige omstandigheden niet alleen tolereren maar verkiezen. Astilbe ‘Fanal’ (Astilbe × arendsii) met haar dieprode pluimen die in juli-augustus boven het blad uitsteken. Dryopteris erythrosora, de herfstvaren, die met zijn koperkleurige jonge bladeren in het voorjaar een bijna dramatisch effect geeft in de schaduw. En als bodembedekker langs de muurvoet Pachysandra terminalis, die in diepe schaduw een dicht, donkergroen tapijt vormt dat onkruid nagenoeg uitsluit.
De waterafvoer is in een ingesloten tuin het fundament waarop alles rust. Als je dat niet op orde hebt, verlies je planten, verlies je verharding door vorstschade, en verlies je uiteindelijk ook het plezier in de tuin. Ik zeg dit altijd met enige nadruk, omdat het het onderdeel is dat mensen het liefst overslaan omdat het duur en onzichtbaar is. Maar het is precies het verschil tussen een tuin die werkt en een tuin die je frustreert.
Onderhoud door de seizoenen heen in een besloten ruimte
Het derde en laatste bezwaar — het ziet er kaal uit — is deels een kwestie van beplantingskeuze, maar minstens zo veel een kwestie van onderhoud op het juiste moment. Een ingesloten stadstuin heeft een ander ritme dan een open tuin, en wie dat ritme begrijpt, heeft veel minder werk dan hij denkt.
In het najaar begin ik altijd met snoeien van de Hydrangea anomala subsp. petiolaris. Niet drastisch, want ze bloeit op oud hout, maar wel corrigerend: takken die te ver van de muur afschieten of die de goot beginnen te bereiken, gaan eraf. Dat doe ik in oktober, als het blad begint te vallen en je de structuur van de plant weer kunt zien. De Dryopteris erythrosora laat ik staan door de winter — de oude bladeren beschermen de kroon tegen vorst en geven de tuin textuur op een moment dat er verder weinig te zien is. Pas in februari, vlak voor de nieuwe bladeren komen, knip ik de oude bladeren weg op een handsbreedte boven de grond.
De Astilbe snijd ik in november terug tot op de grond, maar ik laat de afgebloeide pluimen staan tot dan, omdat ze in de herfst een mooie bruine kleur krijgen en de tuin iets geven dat je alleen kunt omschrijven als rustgevende vergankelijkheid. Dat klinkt misschien gezocht, maar in een kleine tuin is elke plant die twee seizoenen meegeeft in plaats van één een aanwinst.
In het voorjaar, ergens in maart, is de tuin op zijn meest veelbelovend. De Pachysandra terminalis heeft de winter ongeschonden doorstaan en staat er fris bij. De eerste bladeren van de Dryopteris rollen open in een koperkleur die in het grijze voorjaarslicht bijna gloeit. En de Hydrangea begint haar knoppen te zetten, kleine groene bolletjes die je moet zoeken maar die er zijn. Dit is het moment om de borders bij te werken: een laag compost van twee à drie centimeter over de grond, zonder de stengels te begraven, en de voegen van de verharding controleren op onkruid dat in de winter kiemkansen heeft gevonden.
De zomer vraagt in een noordtuin minder water dan mensen verwachten, juist omdat de zon de grond niet uitdroogt. Maar dat betekent ook dat je alert moet zijn op schimmelvorming bij planten die te dicht op elkaar staan of die te weinig lucht krijgen. In dit geval hadden we de borders bewust niet te vol geplant: liever drie planten met ruimte dan vijf planten die om licht en lucht vechten. Die terughoudendheid betaalt zich uit in een tuin die er ook in augustus nog rustig en verzorgd uitziet, zonder dat je er elke week uren in steekt.
Wat ik de eigenaar van deze tuin uiteindelijk meegaf, was niet een lijst met taken maar een manier van kijken. Ga een keer per seizoen een uur in de tuin staan, op een gewone dag, niet als er gasten komen. Kijk wat er staat, wat er ontbreekt, wat er te groot wordt. Een kleine tuin heeft geen grote ingrepen nodig als je die kleine momenten van aandacht geeft. De muur die er eerst als een probleem uitzag, is inmiddels begroeid met een hortensia die in juni zo wit bloeit dat de eigenaar me belde om te zeggen dat ze er uren naar had staan kijken. Dat is wat een goede schaduwplant doet: ze maakt van een beperking iets dat je niet meer weg zou willen denken.