Wat stedelijke hittestress doet met jouw noordtuin — en hoe beplanting helpt

Er is de laatste jaren steeds meer aandacht voor de manier waarop steden opwarmen, voor het asfalt dat warmte vasthoudt, voor de stenen gevels die ‘s nachts niet afkoelen, voor de smalle straatjes waar geen wind doorheen trekt. Maar wat dat concreet betekent voor een kleine, ingesloten stadstuin aan de noordzijde — een tuin die al weinig zon krijgt en tegelijk blootstaat aan de hitte die muren afgeven — dat is een vraag die je zelden beantwoord ziet. In dit stuk werk ik die vraag uit aan de hand van een concrete tuin: een binnenhof van achttien vierkante meter in een rijtjeshuis, omsloten door drie muren van twee meter hoog, met een betegelde vloer en één smalle opening naar de straat.

Hoe muren warmte opslaan en wat dat betekent voor schaduwplanten

De tuin die ik hier als casus gebruik, heeft drie muren van rode baksteen. Overdag vangen die muren nauwelijks directe zon — ze liggen op het noorden — maar ze absorberen wel de omgevingswarmte van de stad eromheen. Tegen de avond geven ze die warmte geleidelijk af, en dat creëert een microklimaat dat merkbaar anders is dan een open tuin op het platteland. De nachttemperatuur ligt er in de zomer soms twee tot drie graden hoger dan je zou verwachten op basis van de weersvoorspelling.

Voor schaduwplanten is dat een tweesnijdend zwaard. Enerzijds overleven soorten die normaal gesproken kouder moeten overwinteren het hier soms beter, omdat de vorst minder diep indringt. Anderzijds hebben planten die gewend zijn aan een koele, vochtige schaduw — denk aan Dryopteris erythrosora of Polystichum setiferum — het zwaarder in een hete stenen ruimte. Ze verdampen meer dan ze opnemen, zeker als de bodem ook nog eens snel uitdroogt door de warmtestraling van de vloer.

Wat helpt, is laagopbouw. In de tuin die ik hier beschrijf, heb ik gekozen voor een combinatie van een hogere laag klimplanten langs de muren — Hydrangea anomala subsp. petiolaris aan de noordmuur, Hedera helix ‘Woerner’ op de zijmuren — en een lage bodembedekker van Pachysandra terminalis die de bodem koel houdt en verdamping remt. Die gelaagdheid creëert een eigen schaduwzone binnen de al schaduwrijke tuin, en dat is precies wat de kwetsbaardere planten nodig hebben.

Verharding, waterafvoer en de hittestress-discussie in stedelijk beleid

Wie de berichten volgt over stedelijk klimaatbeleid, zal hebben opgemerkt dat gemeenten steeds vaker inzetten op het onttegelen van tuinen en binnenplaatsen — een onderwerp waaraan ook de NOS regelmatig aandacht besteedt, omdat de gevolgen van hittestress en wateroverlast in steden steeds zichtbaarder worden. Maar onttegelen is niet altijd de oplossing die het lijkt, zeker niet in een kleine, ingesloten tuin waar de waterafvoer al een probleem is.

In de tuin die ik hier bespreek, was de oorspronkelijke vloer volledig dicht betegeld, met een afschot dat het water naar één hoek leidde waar een klein putje zat. Dat putje was verstopt, en bij elke regenbui stond het water kniehoog. De eerste ingreep was niet het weghalen van de tegels, maar het herstel van de afvoer en het aanbrengen van een infiltratiekrat onder een deel van de vloer. Daarna heb ik een derde van de tegels vervangen door een laag van split met daaronder waterdoorlatend doek, met daarin drie plantgaten voor Fatsia japonica — een plant die in dit soort omstandigheden bijna onverwoestbaar is en met zijn grote, glanzende bladeren een krachtige aanwezigheid heeft.

De rest van de vloer heb ik laten liggen, maar wel behandeld met een lichte kleur coating die warmte reflecteert in plaats van absorbeert. Dat klinkt als een detail, maar de temperatuur op de vloer verschilt op een zomerse dag al snel vijf tot acht graden met een donkere steen. Voor de wortels van planten die direct naast de vloer staan — zoals de Hakonechloa macra langs de rand — maakt dat een wezenlijk verschil.

Onderhoud door de seizoenen heen in een warmere, drogere stadstuin

Een ingesloten stadstuin vraagt om een ander onderhoudritme dan een open tuin. De seizoenen zijn er minder scherp begrensd: de lente begint later omdat de zon de muren pas laat bereikt, de herfst duurt langer omdat de muurwarmte de planten langer actief houdt. Dat heeft gevolgen voor wanneer je snoeit, wanneer je bemest en wanneer je water geeft.

In de tuin die ik hier volg, water ik van mei tot september altijd ‘s avonds, nooit ‘s ochtends. De reden is simpel: overdag verdampt het water te snel van de verharding en de bladeren, en je geeft feitelijk de lucht water in plaats van de bodem. ‘s Avonds trekt het water langzaam weg, de bodem koelt af en de wortels kunnen ongestoord opnemen. Ik gebruik daarvoor een druppelslang langs de voet van de muren, die ik handmatig aanzet — geen timer, want ik wil de grond eerst voelen voor ik besluit te gieten.

Het snoeien van Hydrangea anomala subsp. petiolaris doe ik direct na de bloei, in augustus, zodat de plant de rest van de zomer en het najaar kan gebruiken om nieuwe bloemknoppen te vormen voor het volgende jaar. De Hedera langs de zijmuren houd ik strak, niet omdat ik van een strakke tuin houd, maar omdat loszittende ranken vocht vasthouden tegen de muur en op den duur schade geven aan het voegwerk. Eén keer per jaar, in maart, ga ik langs met een snoeischaar en haal ik alles weg wat te ver groeit.

De Pachysandra vraagt nauwelijks aandacht, maar heeft wel baat bij een laagje rijpe compost in het vroege voorjaar — niet te veel, want de plant is bescheiden van aard en houdt niet van een te rijke bodem. De Fatsia japonica laat ik grotendeels met rust, behalve dat ik in de herfst de oudste bladeren wegknip die te groot zijn geworden of beschadigd door de zomerhitte.

Tot slot

Een kleine, ingesloten stadstuin is geen makkelijke tuin. Ze vraagt om begrip van haar eigen microklimaat, van de muren die warmte opslaan, van de bodem die uitdroogt, van de schaduw die dieper is dan je denkt. Maar juist in die beperkingen zit haar eigenheid. Als je leert werken met wat er is — het licht dat er wel is, de muurwarmte die je kunt benutten, de planten die van rust houden — dan wordt zo’n tuin iets heel bijzonders: een plek die stil is midden in de stad, en die dat stilzijn vasthoudt door de seizoenen heen.